Cénotaphe – Chimères (2025)

(English version below)

Chimères is geen plaat die je opzet. Het is een bezwering die je toelaat. In zeven hoofdstukken sleurt Cénotaphe je door een wereld waar de grens tussen droom, herinnering en ondergang vervaagt. Wie Monte Verità kent, weet dat het duo geen black metal maakt in dienst van vorm of traditie. Wat ze doen, is werken met gelaagde krachten, klanken als rituelen, bezieling als wapen.

Waar Monte Verità nog sprak van klim, inzicht en vergezicht, laat Chimères dat alles los. Hier wordt niet gestreefd, hier wordt gevallen. De blik richt zich niet langer op het licht — hij blijft steken in het vlees. Wat we horen is melodieuze black metal, ja, maar dan van een soort die weigert te behagen. Geen epiek, geen heroïek. Dit is een innerlijke verrotting, klank geworden.

De gitaren zijn als gletsjers: traag, meeslepend, met scheuren die barsten op onverwachte momenten. Fog bouwt lagen die kruipen en jagen, maar altijd doelbewust. Zijn riffs zijn langgerekt, ritueel en soms ronduit beangstigend in hun eenvoud. Wie Forteresse waardeert — vooral hun tragere, uitgesponnen passages — zal hier dezelfde intensiteit voelen, maar dan zonder hoop. Wat daar nog trots was, is hier existentiële uitputting. Een herinnering aan iets wat nooit echt was.

De synths zijn ijzig, maar nooit dominant. Ze verschijnen als geesten, als koude lucht langs een monolithisch gitaargeluid. Ze geven Chimères zijn sacrale gevoel, alsof alles wat je hoort opgenomen is in een lege, beschilderde crypte. “Sempiternel retour” zet die toon meteen: een langgerekte introductie, met rituele drums en een melodie die zich als een oude liturgie in de oren vreet. Daarna breekt het. “Titans” galoppeert, jaagt, valt weer uiteen. Maar niets is gratuit. Alles beweegt naar binnen.

Khaosgott is geen zanger, hij is een entiteit. Zijn stem is een instrument dat zich plooit en breekt naar de geest van elke track. Op momenten schreeuwt hij in barstende razernij, dan weer zinkt hij tot diep onder de toon, als een spreker op een grafheuvel. In “Sous les fourches manichéennes” is zijn stem een beest. In “L’île de rien” een schim. Hij bezweert, vervloekt en laat los.

De opbouw van het album is beheerst. Niets komt snel. Alles komt laat, en dat is de kracht ervan. De climaxen zijn traag en verstikkend. “Le carnage des chimères” is zo’n moment: eerst mid-nineties pagan chaos, dan een langzame, slepende wending — als een visioen dat zich pas openbaart als je het durft te ondergaan. “Dans la poix des barathres”, de afsluiter, is geen outro. Het is een laatste gebed, gesmoord in pek en onuitgesproken schuld.

Chimères is geen verzameling songs, maar een gesloten ruimte. Wie binnengaat, komt niet onaangetast terug. De productie is krachtig maar menselijk: de drums donderen, maar klinken echt. De gitaren cirkelen, maar raken nooit hun kern kwijt. Alles ademt — traag, zwart, ernstig.

Cénotaphe bewijst hier dat bezetenheid niet luid hoeft te zijn. Dat ritueel niet nostalgisch hoeft te klinken. Dat melodie geen zoetmaker is, maar een mes. Ze hebben geen maskers nodig. Geen gasten. Geen trends. Alleen klank die spreekt vanuit een ander vlak.

Chimères is een grafmonument voor de droom van transcendentie. Een ode aan de val. Een plaat die blijft nazinderen, als rook in een dichte kamer. Bezeten, zwart, en onmiskenbaar waarachtig.

85/100

Blackie

English version

Chimères is not an album you play. It’s a rite you allow. Across seven chapters, Cénotaphe drags you through a world where the borders between dream, memory and collapse blur and dissolve. Those who know Monte Verità understand that this duo doesn’t create black metal bound by form or tradition. What they do is work with layered forces — sound as ritual, conviction as weapon.

Where Monte Verità spoke of ascent, insight, and far-off visions, Chimères lets go of all that. There is no striving here — only the fall. The gaze no longer lifts toward the light — it sinks into the flesh. What we hear is melodic black metal, yes, but of a kind that refuses to please. No heroics, no glory. This is inner rot, transfigured into sound.

The guitars are glaciers — slow, suffocating, cracking open without warning. Fog builds layers that crawl and surge with deliberate force. His riffs stretch, spiral, and sometimes haunt in their starkness. Those who revere Forteresse — especially their slower, drawn-out passages — will feel the same intensity here, though without hope. Where Forteresse carried pride, Chimères carries exhaustion. A memory of something that may never have been real.

The synths are frigid, but never dominant. They appear like ghosts — cold air brushing against a monolithic wall of sound. They give Chimères its sacred aura, as though the entire album had been recorded inside a painted crypt. “Sempiternel retour” sets this tone from the beginning: a drawn-out introduction, ritual drums, and a melody that digs in like an ancient litany. Then it breaks. “Titans” charges, collapses, recoils. But nothing here is arbitrary. Everything moves inward.

Khaosgott is no vocalist — he’s an entity. His voice bends and breaks with the spirit of each track. At times he screams in bursting rage, elsewhere he sinks to a subterranean rasp, like a prophet mumbling atop a barrow. In “Sous les fourches manichéennes” he’s a beast. In “L’île de rien” he’s a shadow. He invokes, curses, releases.

The album’s structure is deliberate. Nothing arrives early. Everything arrives late — and that’s its power. The climaxes are slow, suffocating. “Le carnage des chimères” is one such moment: beginning in mid-90s pagan chaos, then turning, dragging, becoming something deeper — like a vision that reveals itself only to those willing to endure. “Dans la poix des barathres”, the closer, is no outro. It’s a final prayer, choked in pitch and unspoken guilt.

Chimères is not a collection of songs. It’s a sealed chamber. Those who enter won’t leave untouched. The production is strong, but human. The drums thunder, yet sound real. The guitars circle and claw, yet never lose their shape. Everything breathes — slowly, darkly, with purpose.

Cénotaphe proves that possession doesn’t need volume. That ritual doesn’t need nostalgia. That melody can be a blade, not a balm. No masks. No guests. No gimmicks. Just sound that speaks from somewhere else.

Chimères is a funerary monument to the dream of transcendence. An ode to the fall. An album that lingers like smoke in a sealed room. Possessed, pitch-black, and unmistakably true.

85/100

Blackie

Under the seal of Nuclear War Now/Ancien Culte

Conjured on July 7 2025