
(English version below)
Een enkele bezwering, maar van een zwaarte die een album draagt. Uit Trondheim komt een cirkel van oude en nieuwe namen bijeen: Tor-Helge Skei (Cernunnus, bekend van Manes, Manii, Syning) weeft gitaren, bas en synths tot een vlammende sluier; Kjell Rambech (K.R., Whoredom Rife, Bloodthorn, Parfaxitas) spuwt zijn demonische tongval; Eskil Blix (Azazil, Mare, Vemod, Dark Sonority, Djevel, Kaosritual, Castrum Doloris, Grenjar, Mørkekunst) verheft een lijkkleurig koor; en B. Kråbøl (Misotheist, Enevelde, Kråbøl) jaagt drums als geselende zwepen door het geheel.
De naam van dit verbond, Diabolus, mecum semperterne (“De duivel, altijd bij mij”), klinkt als een eeuwige eed. Hun eerste manifest draagt de titel Gratias agamus domino infero deo nostro (“Laten wij de infernale heer, onze god, danken”) en wordt ontvouwd als een rite in vier fasen.
Het opent als een stormpoort naar de onderwereld. Tremoloriffs en blastbeats splijten het duister, terwijl een etherische synth erboven zweeft als brandend zwavel. K.R.’s stem klinkt als een bevel aan geketende zielen, en de intensiteit laat geen adempauze toe. Daarna sluipt een koor binnen, vreemd sacraal, zwevend boven Kråbøls cynisch dansende cymbalen. Het is een lofzang die aanbidt en bespot tegelijk.
Het middendeel zindert van dreiging. De stemmen van Azazil glanzen als een verdorven liturgie, gedragen door een synth die ruikt naar grafsteen en wierook. Wat zich openbaart is een visioen van afgrond en verderf. Daaruit groeit een repetitief, vlijmscherp riffmotief dat als een slang rond het hart knelt, een moment van duistere schoonheid waarin gitaren, koor en demonische schreeuwen samensmelten.
De finale barst los als een bloedoffer. Tempo en geweld worden opgevoerd tot razernij, K.R.’s keelklanken kerven wanhoop in de luisteraar. Er blijft geen vluchtweg over. De infernale heer triomfeert en de bezwering eindigt in totale onderwerping.
Deze negen minuten vieren de essentie van Trondheim: een gemeenschap van bezeten musici die elkaar door de decennia heen vinden en opnieuw bezweren. Het is een song die zichzelf ontsteekt als fakkel, een manifest van satanische kunst. Tegelijk is het een voorbode van het album dat in februari zal verschijnen, een werk dat nu al als een dreigende horizon boven ons hangt en waar de verwachting brandend naar uitreikt. En het blijft eindeloos op repeat draaien, als een monotone stem uit de diepte die weigert te zwijgen.
Blackie
English version
A single incantation, yet heavy enough to bear the weight of an album. From Trondheim rises a circle of old and new names: Tor-Helge Skei (Cernunnus, known from Manes, Manii, Syning) weaving guitars, bass and synths into a flaming shroud; Kjell Rambech (K.R., Whoredom Rife, Bloodthorn, Parfaxitas) spitting his demonic tongue; Eskil Blix (Azazil, Mare, Vemod, Dark Sonority, Djevel, Kaosritual, Castrum Doloris, Grenjar, Mørkekunst) raising a corpse-coloured choir; and B. Kråbøl (Misotheist, Enevelde, Kråbøl) driving the drums like scourges across the flesh.
The name of this covenant, Diabolus, mecum semperterne (“The devil, always with me”), resounds like an eternal oath. Their first manifestation bears the title Gratias agamus domino infero deo nostro (“Let us give thanks to the infernal lord, our god”), unfolded as a rite in four phases.
It opens as a storm gate into the underworld. Tremolo riffs and blastbeats cleave the darkness, while an ethereal synth hovers above like burning sulphur. K.R.’s voice sounds like a command to shackled souls, and the intensity allows no breath. Then a choir enters, strangely sacred, floating above Kråbøl’s mocking cymbals. A hymn that both worships and scorns at once.
The middle section vibrates with menace. Azazil’s voices gleam like a perverted liturgy, carried by a synth that reeks of tombstone and incense. What unfolds is a vision of abyss and decay. From it grows a repetitive, razor-sharp riff that coils like a serpent around the heart, a moment of dark beauty where guitars, choir and demonic screams merge.
The finale erupts as a blood sacrifice. Speed and violence ascend into frenzy, K.R.’s throat carving despair into the listener. No escape remains. The infernal lord triumphs and the incantation concludes in total submission.
These nine minutes embody the essence of Trondheim: a communion of possessed musicians binding each other across decades and conjuring anew. This song ignites itself like a torch, a manifesto of Satanic art. At the same time, it stands as a harbinger of the album that will appear in February, a work already looming like a threatening horizon, awaited with burning hunger. And it keeps turning endlessly on repeat, a monotone voice from the depths refusing to fall silent.
Blackie
Under the seal of Terratur Possessions
Conjured on September 2 2025