
(English version below)
De tocht is begonnen voor je het doorhebt. Er is geen aankondiging, geen waarschuwing – alleen voetstappen in de as, een smeulend ritme, en stemmen die niet zomaar zingen, maar graven. Fakkeldragers sleept je mee als een nachtelijke processie: langzaam, dreigend, en met de vastberadenheid van zij die niets meer te verliezen hebben.
Waar het debuut In de nevel van afgunst al tekende met zwart krijt, smeert deze opvolger de vlammen over bot en steen. De gitaren schuren als ruïnes die zich herinneren wat ooit heilig was, terwijl de drums niet begeleiden maar voortstuwen – als het stampen van voeten op weg naar een brandstapel. Alles ademt roest, aarde en rook. Er is niets gepolijst aan deze sound, maar elk detail is bewust. Deze klank is geen toeval. Dit is gekozen vuil.
De plaat opent op scherp, met eenzaam, slepend snarenspel dat zich ontvouwt als een akelige stilte voor de aanval. Een bepantserde kroon lijkt aanvankelijk afwachtend, maar groeit al snel uit tot een storm aan riffstructuren en mokerslagen, gedragen door een vocale bezetenheid die zich als een net sluit. Wat volgt is geen aaneenschakeling van nummers, maar een ritueel dat zich in verschillende gedaanten openbaart.
Soms klinkt het als een proclamatie: Fakkeldragers, het titelnummer, is geen lied maar een eed. Het snijdt met zijn opzwepende melodieën en dreunende basis alsof het vuur zelf spreekt, alsof de band niet speelt maar marcheert – brandend, ademend, levend. Elders wordt het landschap ijziger: Krijgers van het niets laat de razernij verstarren in een kille, opzwepende cadans. Hier is niets heroïsch, alleen volgehouden vernietiging – ritmisch, secuur, messcherp.
In De laatste dageraad sluipt plots iets onverwachts binnen. Geen genade, maar een glimp van iets puurs: een breekbare, cleane stem die als een herinnering komt aanwaaien, alleen om meteen weer vertrapt te worden onder het ritmisch geweld. Het contrast maakt het des te snijdender.
Dan is er de brute overgave van Waar wij vlammen trotseren – een hymne voor zij die weigeren te buigen, die liever verbranden dan verdwijnen. Hier bereikt het album zijn fysiekste moment, zonder ooit de bezieling te verliezen. De melodieën blijven als rook in je kleren hangen, ook al is alles om je heen in puin geslagen.
En voor wie diep genoeg graaft, schuilt er in de digipack nog een nagloeiende staart. Geen overbodige bonus, maar een laatste ademstoot. Geen afsluiter – een voorteken.
Fakkeldragers is geen album voor zij die licht zoeken. Dit is een tocht in lagen, met melodieën als muurschriften en teksten als asregen. Hellevaerder schrijft niet met inkt of bloed, maar met vuur. Wat brandt, leeft. Wat leeft, eindigt. Maar eerst moet het zingen.
80/100
Blackie
English version
The march begins before you realize it. There is no announcement, no warning—only footsteps in the ash, a smouldering rhythm, and voices that do not sing but unearth. Fakkeldragers drags you along like a nocturnal procession: slow, menacing, and with the resolve of those who have nothing left to lose.
Where In de nevel van afgunst already etched its presence in black chalk, this successor spreads flame across bone and ruin. The guitars scrape like ruins remembering what was once sacred, while the drums do not merely accompany—they drive forward like boots pounding toward the pyre. Nothing here is polished, yet everything is deliberate. This sound is no accident. This is chosen filth.
The record opens sharply with Een bepantserde kroon, unfolding with a solitary, dragging guitar line like a silence before the strike. What begins hesitantly soon erupts into layered riffs and hammering force, wrapped in vocal possession that coils tighter with each breath. What follows is not a sequence of songs, but a ritual manifesting in shifting forms.
At times, it feels like a declaration: the title track Fakkeldragers is no song, but an oath. With its anthemic tremolo and hammering rhythm, it speaks in flame, marching not with pride, but with purpose—burning, breathing, alive. Elsewhere, the landscape freezes: Krijgers van het niets traps its fury in rigid cadence, surgical and cold. There is no glory here, only calculated ruin.
Then comes De laatste dageraad, and with it something unexpected. Not comfort, but a fleeting trace of purity—a moment of clean vocals drifting like a memory, only to be trampled under rhythmic oppression. The contrast cuts deeper than any scream.
Waar wij vlammen trotseren brings the record to its most brutal point—a hymn for those who’d rather burn than vanish. The riffs strike like fists, and the melodies linger like smoke in your lungs, long after the wreckage has quieted.
For those who dig deep enough, a final track flickers within the digipack version—a cinder, not an afterthought. Not closure, but a sign.
Fakkeldragers is not for those who seek light. It is a journey in layers—melodies like scorched inscriptions, lyrics falling like ash. Hellevaerder does not write in ink or blood, but in fire. What burns, lives. What lives, ends. But first, it must sing.
80/100
Blackie
Under the seal of Zwaertgevegt/Void Wandere Productions
Conjured in June 24 2025