
(English version below)
Uit de schaduw van Neurenberg keert Nebelfaust terug. Zinkruwahn, eenling, multi-instrumentalist, bouwer van kilte en mist, legt zijn tweede ritueel op het altaar. Das kalte Eisen des Mondes sneed vorig jaar diep genoeg om verwachtingen te wekken — kil, atmosferisch, verankerd in het Noorwegen van de jaren negentig. De vraag die Die Krähenfüße des Winters moet beantwoorden is of Zinkruwahn verder durft te gaan dan zijn debuut beloofde.
Hij durft. De productie bijt nog steeds, scherp en urgent, met ratelende drums en een schorre keel die de kilte van de Frankische winters in zich draagt. De ruwheid van de debuutplaat is licht getemd, maar niets is gepolijst, niets is verzacht om aangenamer te worden. Wat overblijft is een sound die snijdt zonder te verbloeden, die ademt zonder te verzuchten. Het Noorwegen van de jaren negentig waart door het geheel, Gorgoroth, Kvist, Ulver, vroeg Taake, het heidens geweld van vroeg Enslaved, maar het is geen slaafse devotie. Zinkruwahn buigt voor zijn voorvaderen zonder door hen verpletterd te worden.
Want op deze tweede plaat heeft hij de teugels losgelaten. De riffs zoeken ongebaande melodische paden, graven dieper dan tevoren, vinden catchy maar nooit voorspelbare wegen door de bevroren aarde. Er schuilt een lichte frivoliteit in de compositie, een persoonlijke waanzin die op de debuutplaat nog ingetoomder bleef. Tegelijk weet Zinkruwahn wanneer hij moet stoppen. Het onconventionele wordt omarmd zonder richting te verliezen, een evenwicht dat menig eenmansproject ontbeert.
Het album beweegt als een winterstorm die nu raast, dan stilvalt, dan opnieuw aanwakkert. De vaart is meedogenloos waar hij moet zijn, maar Zinkruwahn weet ook te blijven staan in de poel van melancholie, ingetogen zonder te verzanden. Heidens gestrumde passages, gonzende zangen, sporadische vrouwenstemmen, epische kleuren die de debuutplaat nog ontbeerde. Ze verschijnen spaarzaam, als open plekken in een donker woud, en verdwijnen even snel. Naar het einde toe neemt de droefenis de controle over. De kilte wordt natter, zwaarder, het middentempo sleurt en soleert door modder en herfstregen, tot het licht dissonante slot alles met hondsbrutale vrijheid besluit.
Die Krähenfüße des Winters is een stap vooruit die pakt. Zinkruwahn heeft zichzelf verder uitgevonden, riff-hongerig en persoonlijk, koud tot op het bot. De kraaienpootjes in de sneeuw tekenen geen willekeurig patroon. Ze wijzen een richting.
80/100
⸸ Blackie ⸸
English version
From the shadow of Nuremberg, Nebelfaust returns. Zinkruwahn, solitary figure, multi-instrumentalist, architect of cold and mist, places his second ritual upon the altar. Das kalte Eisen des Mondes cut deep enough last year to raise expectations, cold, atmospheric, rooted in the Norway of the nineties. The question Die Krähenfüße des Winters must answer is whether Zinkruwahn dares to venture further than his debut promised.
He dares. The production still bites, sharp and urgent, with rattling drums and a raspy throat that carries the cold of Franconian winters within. The rawness of the debut has been tempered slightly, but nothing is polished, nothing softened to become more palatable. What remains is a sound that cuts without bleeding dry, that breathes without sighing. The Norway of the nineties haunts the whole, Gorgoroth, Kvist, Ulver, early Taake, the pagan ferocity of early Enslaved, yet this is no blind devotion. Zinkruwahn bows before his forebears without being crushed beneath them.
On this second record he has loosened the reins. The riffs seek uncharted melodic paths, dig deeper than before, carving catchy yet never predictable routes through frozen earth. A quiet frivolity lurks within the compositions, a personal madness that on the debut remained more restrained. Yet Zinkruwahn knows when to stop. The unconventional is embraced without losing direction, a balance that many a one-man project fails to strike.
The album moves like a winter storm that rages, then falls silent, then gathers again. The pace is relentless where it must be, but Zinkruwahn also knows how to linger in the pool of melancholy, measured without becoming stagnant. Pagan strummed passages, humming chants, sporadic female voices, epic colours the debut had yet to possess. They appear sparingly, like clearings in a dark forest, and vanish just as swiftly. Towards the end, sorrow takes control. The cold grows wetter, heavier, the mid-tempo trudges and drags through mud and autumn rain, until the faintly dissonant finale concludes everything with brutal freedom.
Die Krähenfüße des Winters seizes. Zinkruwahn has reinvented himself further, riff-hungry and deeply personal, cold to the bone. The crow’s feet in the snow trace no random pattern. They point a direction.
80/100
⸸ Blackie ⸸
Self Released
Conjured on March 16 2026