Necromantic Worship – Necromantic Worship (2025)

(English version below)

Er zijn platen die klinken als muziek. Andere als een vloek. En dan zijn er albums zoals deze: gedaantes in klank, manifestaties van dat wat onder de wereld krioelt. Necromantic Worship, de zelfgetitelde langspeler, is geen debuut in menselijke termen. Het is een rite. Een lijkgeur die zich pas nu, na jaren van fermenterende stilte, volwaardig durft te tonen.

Wie de eerdere demo’s aanhoorde, hoorde de echo van iets dat nog niet volledig in vlees of geest bestond. Wat nu verschijnt is geen evolutie. Het is incarnatie. De geest die toen fluisterde, spreekt nu in tongen. Met elke noot wordt een stap gezet doorheen een oud labyrint — waar elk akkoord druipt van opgegraven geschiedenis, maar waar niets aanvoelt als nagedaan. Dit is geen eerbetoon aan de Helleense groten van toen. Dit is de erfgenaam. Dit is het bloed.

Vanaf de eerste minuut ruik je het: deze plaat is bedekt met wierook, roet en as. De productie is geen productie, maar een sfeer. Alles klinkt alsof het ingeblikt werd in een catacombe, met vochtige stenen als akoestiek en ademwolkjes van onzichtbare aanwezigen in de ruimte. De bas — die magische draailier van Necromantic Worship — zwelt en kronkelt als een bezeten slang. Ze voert de luisteraar, trekt hem naar beneden, soms verleidelijk en sensueel, dan weer als een modderstroom die al het heilige meesleurt.

Riffs happen naar lucht. Ze happen naar jou. Geen melodie is zomaar ‘mooi’: alles lijkt te zijn geschreven op perkament van mensenvellen, met bloed dat nog niet volledig gestold is. En dan die stem… geen schreeuw, geen snauw, maar een stem die klinkt alsof ze iets van jou weet. Ze gromt niet, ze suggereert. Ze daagt uit. Alsof een oude entiteit je naam kent, en wacht op het juiste moment om het terug te roepen.

Soms zijn er toetsen. Niet als decoratie, maar als rook uit het altaar. Ze vullen de ruimte met een sacrale geur, soms zelfs met wat doet denken aan verlaten kerken of oosterse ruïnes waar niemand nog bidt. Geen bombast, geen keyboards voor het effect. Ze zweven. En net zoals de stem, lijken ze meer tot je te spreken dan te klinken. In hun stilste momenten hoor je de wind door de beenderen van vergeten tempels.

Tussen de rituelen duiken plots fragmenten op van iets wat je melodie zou kunnen noemen. Een gitaarsolo hier, een melodisch motief daar — subtiel, giftig. De verschijning van S. Iblis is hier niet die van een gastmuzikant, maar van een priester die een mes scherpt voor een offer. Zijn noten zijn ritueel. Zijn bijdrage is bezeten.

Wat je ervaart, is geen tracklist. Het is een ceremonie in acht fasen. Elk segment vloeit in het volgende, soms met intermezzo’s die klinken als tussenwereldse stemmen, andere keren met songs die zo dicht opeen gepakt zijn dat je vergeet waar je bent begonnen. Alles schuurt, schuimt, woekert, vloeit.

Tegen het einde van de plaat zwelt de sfeer aan tot iets trance-achtigs. Oosterse klanken, necrotische percussie, geluiden die meer lijken op het openen van een portaal dan op muziek in traditionele zin. Je hoort niet meer wat er gebeurt. Je ondergaat het. En dan… niets. Geen slotakkoord. Geen afronding. Gewoon leegte. Zoals het hoort.

Necromantic Worship is niet gewoon een terugkeer, en al zeker geen late debuutplaat. Dit is een grafzerk die eeuwen heeft staan wachten op een juiste conjunctie. Nu is die er. En wie meeluistert, draagt voortaan het brandmerk van deze plaat in zijn ziel.

Er zijn albums die je onthoudt. Deze onthoudt jou.

90/100

Blackie

English version

Some records play like music. Others like a curse. But few take shape the way this one does — Necromantic Worship’s self-titled full-length is no debut in mortal terms. It is a rite. A stench that has been fermenting in darkness for years, now finally given form and voice.

The earlier demos whispered. They hinted. They conjured shadows. But what emerges here is not an evolution — it is a full incarnation. The spirit that once lingered around tape hiss and reverb now moves with purpose. Each note is a step through a labyrinth older than scripture, carved in rot and ritual. Nothing imitates here — it inhabits. The Greek black metal current is not revived, but continued, as if no time had passed and the blood had simply congealed beneath the surface.

From the opening moments, it is clear: this album breathes incense, soot, and ash. The production doesn’t polish — it enshrouds. Everything sounds as though it was recorded inside a tomb, with stone walls damp with centuries of silence and a ceiling stained black with the breath of unseen presences. The bass — that sacred serpent at the heart of Necromantic Worship — does not follow. It leads. Sensual and crushing, it seduces and suffocates in equal measure.

The guitars don’t riff — they gnaw. They claw. Every melody sounds like it was scrawled on flayed parchment, with blood that has not yet dried. And the voice… it doesn’t scream. It knows. It speaks with the confidence of something ancient that has already seen your end. It does not roar — it calls. It beckons. A whisper from a faceless priest waiting just beyond the veil.

There are keys. But not to adorn. They linger like incense smoke, sacred yet choking. They drift through the compositions like remnants of liturgies long since forbidden. Sometimes they evoke the desolate quiet of a deserted chapel. Other times, the perfumed air of a forgotten eastern shrine. Always spectral. Always watching.

And in brief flashes, a melody slips through the cracks. A guitar solo here, a glimmer of structure there — not to dazzle, but to disorient. S. Iblis appears not as a guest, but as an officiant. His notes don’t embellish — they cut. A ceremonial blade held above a quivering altar.

What unfolds across the album’s length is not a tracklist. It is a ceremony in eight movements. Each passage bleeds into the next. You forget beginnings. You lose sense of structure. You only feel the presence thickening. Sometimes it speaks through haunted interludes. Sometimes it screams through layered walls of sound. But it never releases its grip.

Toward the end, the album begins to dissolve. Rhythms take on a trance-like character. Eastern melodies slither across ritual drums. The final phase is not a conclusion, but a disappearance — a withering. No crescendo. No catharsis. Just absence. Just dust.

Necromantic Worship is not a comeback. It is not a late debut. It is a gravestone that has waited for the right planetary alignment to crack open. And now it has. Those who listen will not walk away untouched. They will carry the stench.

There are albums you remember. This one remembers you.

90/100

Blackie

Under the seal of New Era Productions/Nuclear War Now! Productions

Conjured on June 18 2025