
(English version below)
Het zwarte goud van Limburg liet verlaten schachten en roestend staal achter. Onder de grond bleven ook stof, doden en herinneringen liggen, wachtend tot iemand diep genoeg zou graven. Perfide en Wurgilnõ dalen voor deze split dezelfde mijn af en sleuren elk vier nummers mee naar boven. Acht bezweringen rond de Limburgse mijnbouwgeschiedenis, in 2026 op vinyl losgelaten door Zwaertgevegt.
Perfide neemt de eerste afdaling voor zijn rekening. De Nederlanders bestaan sinds 2017, al lopen verschillende leden al veel langer door de vaderlandse ondergrond. Hun black metal dendert voort volgens de oude wetten: kaal, primitief, gestript tot op het bot.
De vier nummers vormen inhoudelijk één geheel. De gesloten mijnen raken bevolkt door de geesten van wie er ooit afdaalden, de arbeider verliest zijn naam en wordt een nummer, en vooruitgang en welvaart krijgen de geur van stof, bloed en dood. In Gedaanteverlies wordt de afdaling een vorm van ontmenselijking: de mijnwerker laat zijn naam achter bij de kooi en hoort diep beneden een stem in het gesteente. Koolzwarte Grafrede sluit Perfides kant af als een requiem voor de mijnwerkers die onder de Limburgse grond hun leven en gezondheid achterlieten.
Muzikaal valt er weinig af te dingen op wat Perfide hier doet. Grimmige riffs, een meedogenloze aandrijving en schurende vocalen houden de zwarte vlam brandend. De productie werkt daarbij niet altijd in hun voordeel. De bas ligt erg nadrukkelijk bovenop het geheel en begraaft een deel van wat eronder gebeurt. De riffs en vocalen hadden wat meer lucht verdiend. Jammer, want daaronder schuilt sterke, compromisloze black metal.
Wanneer de plaat wordt omgedraaid en Wurgilnõ de schacht overneemt, valt meteen op hoeveel beter de verschillende elementen elkaar vinden. C., bekend van Galghe, krijgt hier op drums versterking van DB. De gitaren klinken korrelig en heerlijk rauw, de vocalen hangen ergens tussen een krijs en een hese uithaal. De vuiligheid blijft onaangeroerd. Gitaren, drums en vocalen krijgen in de mix volop adem.
Wurgilnõ schakelt tussen meerdere aanvalspatronen. Hevige tremoloriffs wisselen af met slepender mid-tempo, korte ambientachtige synthpassages brengen extra sfeer, ijle stemmen duiken hier en daar op in de achtergrond en de gitaar neemt geregeld een solo voor haar rekening. Op In de Duisternis wacht je Lot en Maar hun As bleef Zingen krijgt Wurgilnõ versterking van de zanger van Nether. Die afwijkende stemkleur valt in het eerste nummer het duidelijkst op. Synths, solo’s en tempowisselingen veranderen weinig aan de primitieve kern van Wurgilnõ.
Zodra het tempo zakt, kruipt er een verrassend sterke melancholie naar boven. Kathedraal der Verstikking opent met synths en sleept zich aanvankelijk in mid-tempo voort. Halverwege volgt een plotse versnelling, waarna het nummer weer terugzakt. Als synths en gitaar dan het voortouw nemen, krijgt het geheel iets mistroostigs en haast elegisch.
Afsluiter Maar hun As bleef Zingen trekt vervolgens alle registers open. Vanaf de eerste seconden gaat het op volle kracht vooruit. Hevig tremolowerk jaagt het nummer voort, een solo breekt door en het tempo valt terug om even later opnieuw los te barsten. Wurgilnõ laat het tempo telkens lang genoeg zakken om de volgende uitbarsting nog harder te laten binnenkomen. Vier minuten rauwe black metal in voortdurend wisselende gedaante, voor mij het hoogtepunt van deze split.
Beide bands staan met hun laarzen in dezelfde Limburgse aarde en graven er elk op eigen wijze doorheen. Perfide kiest voor een kale, meedogenloze aanpak en koppelt het mijnverleden nadrukkelijk aan dood, vervreemding en een onderwereld onder het landschap. Bij Wurgilnõ komen atmosfeer, melancholie en dynamiek sterker naar voren, diep geworteld in dezelfde vuiligheid.
Ook Bram Bruyneel begreep waar deze plaat thuishoort. Zijn zwart-witte hoes laat mijnwerkers tussen houten stutten, schedels en demonische verschijningen werken, alsof de Limburgse mijnschachten rechtstreeks naar de hel zijn doorgebroken.
Wurgilnõ trekt hier uiteindelijk aan het langste eind. Perfide levert vier stevige stukken ongepolijste black metal af, al verdwijnt te veel ervan onder de bas. Aan de andere kant van het vinyl liggen riffs, drums en vocalen open en grijpen de nummers me steviger vast. Wanneer Maar hun As bleef Zingen voor de laatste keer de tremolo op volle kracht door de schacht jaagt, is het pleit beslecht.
80/100
⸸ Blackie ⸸
English version
The black gold of Limburg left behind abandoned mine shafts and rusting steel. Beneath the ground, dust, the dead and memories remained as well, waiting for someone to dig deep enough. For this split, Perfide and Wurgilnõ descend into the same mine and each drag four tracks back to the surface. Eight invocations revolving around Limburg’s mining history, unleashed on vinyl by Zwaertgevegt in 2026.
Perfide takes the first descent. The Dutch band has been around since 2017, although several of its members have roamed the national underground for much longer. Their black metal thunders forth according to the old laws: bare, primitive, stripped to the bone.
The four tracks form a single whole in terms of subject matter. The abandoned mines become populated by the ghosts of those who once descended into them, the worker loses his name and becomes a number, and progress and prosperity take on the stench of dust, blood and death. In Gedaanteverlies, the descent becomes a form of dehumanisation: the miner leaves his name behind at the cage and hears a voice in the rock far below. Koolzwarte Grafrede closes Perfide’s side as a requiem for the miners who left their lives and health beneath the soil of Limburg.
Musically, there is little to fault in what Perfide does here. Grim riffs, a relentless drive and abrasive vocals keep the black flame burning. The production does not always work in their favour. The bass sits very prominently on top of everything and buries part of what is happening underneath. The riffs and vocals could have used more room to breathe. A pity, because strong, uncompromising black metal lurks beneath it.
Once the record is flipped and Wurgilnõ takes over the shaft, it immediately becomes apparent how much better the different elements come together. C., also known from Galghe, is joined here by DB on drums. The guitars sound grainy and deliciously raw, with vocals hovering somewhere between a shriek and a hoarse rasp. The filth remains untouched. Guitars, drums and vocals are all given plenty of breathing room in the mix.
Wurgilnõ shifts between several modes of attack. Fierce tremolo riffs alternate with dragging mid-tempo passages, brief ambient-like synths add atmosphere, spectral voices occasionally emerge in the background and the guitar regularly breaks into a solo. On In de Duisternis wacht je Lot and Maar hun As bleef Zingen, Wurgilnõ is joined by the vocalist of Nether. His different vocal timbre is most clearly noticeable on the former. Synths, solos and tempo changes do little to disturb Wurgilnõ’s primitive core.
As soon as the pace drops, a surprisingly strong sense of melancholy begins to seep through. Kathedraal der Verstikking opens with synths and initially drags itself forward at mid-tempo. A sudden acceleration arrives halfway through, after which the track sinks back again. When the synths and guitar then take the lead, the whole thing takes on something desolate and almost elegiac.
Closer Maar hun As bleef Zingen then pulls out all the stops. From the opening seconds it charges forward at full force. Ferocious tremolo work drives the track onward, a solo cuts through and the pace drops before erupting once again. Wurgilnõ lets the tempo sink for just long enough to make the next outburst hit even harder. Four minutes of raw black metal in constantly shifting form, and for me the highlight of this split.
Both bands stand with their boots in the same Limburg soil and dig through it in their own way. Perfide opts for a bare, merciless approach and explicitly ties the mining past to death, alienation and an underworld lurking beneath the landscape. With Wurgilnõ, atmosphere, melancholy and dynamics come further to the fore, deeply rooted in the same filth.
Bram Bruyneel also understood exactly where this record belongs. His black-and-white artwork depicts miners working among wooden supports, skulls and demonic apparitions, as though the Limburg mine shafts had broken straight through into hell.
Wurgilnõ ultimately comes out on top here. Perfide delivers four solid pieces of unpolished black metal, although too much of it disappears beneath the bass. On the other side of the vinyl, the riffs, drums and vocals lie open and the songs take a firmer hold of me. When Maar hun As bleef Zingen sends the tremolo through the shaft at full force one final time, the matter is settled.
80/100
⸸ Blackie ⸸
Under the seal of Zwaertgevegt
Conjured on October 3 2026