Vafurlogi – Gneisti af eldi Guðs (2026) Review

(English version below)
Reykjavík draagt al decennia een gloed die nooit werkelijk dooft. Onder een korst van gestolde lava blijven sintels smeulen die eens in de zoveel tijd opnieuw oplaaien en de horizon in een nieuwe gedaante kleuren. Uit die onderhuidse hitte rijst ook Vafurlogi op, gevoed door oude brandhaarden, gehard tot een eigen, onmiskenbare gestalte.

Achter dat vuur staat Þórir Garðarsson, bekend van Svartidauði en Sinmara, twee namen die hun stempel diep in de IJslandse black metal hebben gedrukt. Sinds de oprichting in 2018 te Reykjavík draagt Vafurlogi die erfenis met zich mee zonder erin gevangen te blijven. Naast Garðarsson staat trommelaar Ragnar Sverrisson, bekend van Helfró en het voormalige Beneath, aangevuld met muzikanten verbonden aan Nyrst en Volcanova. Een bezetting, gehard in de duistere gangen van Almyrkvi en Kaleikr, hier samengesmolten tot één entiteit die steeds dieper de eigen duisternis intrekt.

Gneisti af eldi Guðs put uit composities waarvan sommige hun oorsprong vinden in 2007, resten van verbrande Svartidauði-schetsen die eindelijk hun definitieve vorm krijgen. De jaren hebben deze muziek ontdaan van overbodige versieringen en alleen datgene laten voortbestaan wat de tijd niet wist uit te doven. Waar het debuut Í vökulli áþján nog zoekende leek naar een volledig eigen identiteit, klinkt Vafurlogi hier als een band die haar ware gelaat eindelijk heeft gevonden.

De zeven composities vloeien samen tot één voortdurende beweging waarin riffs zich als rookpluimen om elkaar heen kronkelen. De opener Af heilagri heift ontvlamt episch en heroïsch, met wisselende ritmes, een lead die de keel dichtknijpt, verhalend gefluister in het duister van het middendeel en een piano die de laatste seconden doet verkolen. Het titelnummer Vafurlogi ademt daarentegen als enige compositie zonder dissonantie, old-school en tremolo-gedreven, met de schaduw van Dissection nog smeulend in de leadpartijen. In Að handan en Vitjun verscheuren oude en dissonante scholen elkaar om de overhand, chromatische afdalingen wisselen af met dubbele, schrapende stemlagen die vanuit het duister opdoemen als een roep uit de diepte.

Stephen Lockhart voorziet het geheel in Studio Emissary van een productie die iedere nuance ruimte geeft zonder de rauwe kern aan te tasten. De gitaren behouden hun scherpte, de drums stuwen de composities met beheerste kracht vooruit en de bas versmelt met het ritmische karkas tot een enkele, brandende massa. De vocalen liggen dieper begraven dan op het debuut, gesmoord en afstandelijk, alsof een stem van ver iets essentieels schreeuwt zonder de muziek te overschreeuwen.

Naar het einde toe verbreedt Vafurlogi zijn adem zonder ooit te verzwakken. Úr himinsölum brengt een tempowissel via schone gitaarmelodieën, melancholisch en meedogenloos weloverwogen. De afsluiter Earthly Vestiges, het enige Engelstalige spoor in het oeuvre van de band, strekt zich uit over tien minuten zonder ooit te verzanden: een langzame, nachtelijke pianopartij dooft het geheel als een laatste, gedempte zucht in de as.

Thematisch blijft Vafurlogi trouw aan de goddelijke vonk waaruit de band zijn naam ontleent. Vuur verschijnt hier tegelijk als openbaring en vernietiging, als scheppende kracht én als allesverterende gloed. Die dubbelzinnigheid doordringt het volledige album en vindt een waardige weerspiegeling in het indrukwekkende artwork van Void Revelations en Heresie Studio.

Zeven bezweringen, bijna negenenveertig minuten lang, waarin jarenlange rijping zich eindelijk ontlaadt in een vorm die weinig albums bereiken. Onder de zwarte aarde van IJsland brandt het vuur nog altijd. Gneisti af eldi Guðs is het bewijs dat sommige vlammen jarenlang onder de as kunnen blijven smeulen, wachtend op het ogenblik waarop zij opnieuw de nacht mogen verlichten.

89/100
⸸ Blackie ⸸

English version

For decades, Reykjavík has carried a glow that never truly fades. Beneath a crust of solidified lava, embers continue to smoulder, flaring up from time to time and casting the horizon in a new guise. From that subterranean heat rises Vafurlogi, nourished by ancient fires and forged into a distinct, unmistakable form.

Behind that fire stands Þórir Garðarsson, known from Svartidauði and Sinmara, two names that have left an indelible mark on Icelandic black metal. Since its formation in Reykjavík in 2018, Vafurlogi has carried that legacy without becoming confined by it. Alongside Garðarsson stands drummer Ragnar Sverrisson, known from Helfró and the former Beneath, joined by musicians connected to Nyrst and Volcanova. A line-up hardened in the shadowed corridors of Almyrkvi and Kaleikr, fused here into a single entity descending ever deeper into its own darkness.

Gneisti af eldi Guðs draws upon compositions, some of which trace their origins back to 2007, remnants of abandoned Svartidauði sketches that have finally assumed their definitive form. Time has stripped this music of every unnecessary embellishment, allowing only what refused to be extinguished to endure. Where the debut Í vökulli áþján still seemed to search for a fully realised identity, Vafurlogi now sounds like a band that has finally revealed its true face.

The seven compositions merge into one continuous movement, with riffs coiling around one another like rising columns of smoke. Opener Af heilagri heift ignites with an epic, heroic spirit, shifting rhythms, a lead melody that tightens around the throat, whispered narration emerging from the darkness of the midsection, and a piano that leaves the final seconds to smoulder into ash. The title track Vafurlogi stands alone as the album’s only composition free of dissonance, driven by old-school tremolo picking, with the lingering shadow of Dissection glowing within its lead passages. In Að handan and Vitjun, ancient and dissonant schools tear at one another for dominance, chromatic descents intertwining with scraping, layered vocal lines that rise from the depths like distant calls from the abyss.

Stephen Lockhart grants the album a production at Studio Emissary that allows every nuance to breathe without diminishing its raw core. The guitars retain their cutting edge, the drums propel the compositions with measured force, and the bass fuses with the rhythmic framework into a single, burning mass. The vocals lie deeper beneath the surface than on the debut, muffled and distant, as though a voice from afar is crying out something essential without ever overpowering the music.

As the album nears its conclusion, Vafurlogi broadens its breath without surrendering any of its intensity. Úr himinsölum introduces a shift in pace through clean guitar melodies, melancholic and relentlessly deliberate. The closing piece, Earthly Vestiges, the band’s only English-language composition to date, stretches across ten minutes without ever losing its grip, finally dissolving into a slow nocturnal piano passage that fades like one last muted sigh beneath the ashes.

Thematically, Vafurlogi remains faithful to the divine spark from which the band draws its name. Fire emerges here as both revelation and destruction, as a creative force and an all-consuming blaze. That duality permeates the entire album and finds a worthy visual counterpart in the remarkable artwork by Void Revelations and Heresie Studio.

Seven incantations spanning nearly forty-nine minutes, where years of patient refinement finally erupt into a form few albums ever attain. Beneath Iceland’s black earth, the fire still burns. Gneisti af eldi Guðs stands as proof that some flames can smoulder beneath the ashes for years, waiting only for the moment when the night allows them to burn once more.

89/100
⸸ Blackie ⸸

Under the seal of Norma Evangelium Diaboli
Conjured on July 8 2026